Ervaring met olie

Op dinsdag 9 augustus 2022 was ik van plan om met een vriend, Johan genaamd, ’s avonds naar een charismatische bijeenkomst te gaan in het seminarie Johannes XXIII te Leuven. Ik kende die groep nog niet lang. Voordien zaten we met twee jongeren aan tafel. We vertelden hen wat een charismatische bijeenkomst was.

De tongentaal kwam onder andere ter sprake. Er werd hen uitgelegd dat dit een taal was waarin we met allerlei klanken God loven. Het is eigenlijk een taal waarmee alle mensen van over de gehele wereld samen kunnen zingen en God loven. Het is een taal die gaat over alle talen en grenzen heen. Ik vertelde dat ik niet kon zingen en dat de tongentaal bij mij niet lukte.

’s Avonds ging ik dan met Johan naar de gebedsgroep. Op het moment van de tongentaal deed ik mijn mond toch open en gaf ik mijn mond en stem gewoon over aan de heilige Geest. Ik zong en uitte enkele klanken. Ik merkte dat ik een klank ‘o’ en een klank ‘li’ spontaan na elkaar uitte en dat ik daarmee het woord ‘olie’ vormde, zonder dat ik dit opzettelijk deed.

Die avond had zuster Marie-Jeanne de taak gekregen om de gebedsgroep te leiden en een evangelietekst te kiezen en toe te lichten. Het evangelie ging over de parabel van de vijf verstandige en vijf domme meisjes, die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet (Mt 25,1-13). De verstandige meisjes hadden kruiken olie mee, de domme niet. Er werd onder andere ook een toepasselijk liedje gezongen met een zinnetje: “Geef mij olie in mijn lamp, houd het brandend”.

Raar, maar waar, ik werd af en toe een aangename geur van balsem of olie gewaar. Ik keek naar de vrouw naast mij en vroeg me af of zij die geur verspreidde. Of was die geur afkomstig van de zeep waarmee ik mijn handen vóór de bijeenkomst had gewassen? Dat was het ook niet. Die geur was niet constant aanwezig, maar af en toe rook ik die heel fel. Ik vermoedde uiteindelijk dat het iets bovennatuurlijk was.

Wat ik nu schrijf, heb ik die avond in de groep meegedeeld en ze dankten me voor mijn getuigenis. Wat ik heb ervaren, is blijkbaar een boodschap voor mezelf én voor anderen. Maar welke boodschap?

Toen ik thuiskwam en in mijn bed lag, vroeg ik me af wat de heilige Geest wilde duidelijk maken. Spontaan kwam Jezus’ zalving te Bethanië in mij op, waarover Johannes het volgende schrijft: “Maria nu nam een pond nardusbalsem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus’ voeten en droogde ze met haar haren af. Het huis hing vol balsemgeur”. Waar Jezus aanwezig is, daar is het huis vol balsemgeur.

Zijn wij door ons doopsel ook geen huis van God? Paulus schrijft: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont?” (1 Kor 3,16). Ik dacht er ook aan dat ik bij mijn doopsel en vormsel gezalfd ben en ook al bij de ziekenzalving. Ja, wij heten ‘christenen’ dit wil zeggen ‘gezalfden’ en Christus betekent de ‘Gezalfde’. Wij zijn gezalfd tot priester, koning en profeet, zoals Jezus dit was. Wij zijn gezalfd met de heilige Geest en volgens mij was het die spirituele zalving die ik zo sterk rook. [In het lied ‘Veni, creator Spiritus’ wordt de heilige Geest omschreven als ‘spiritalis unctio’, wat precies ‘spirituele zalving’ betekent.]

Het liedje “Geef mij olie in mijn lamp, houd het brandend” betekent dan dat we bidden om de olie en het vuur van de heilige Geest. Jezus zegt dat we het licht zijn van de wereld (Mt 5,14: “Gij zijt het licht der wereld”). Maar dan moeten we wel olie hebben om onze lamp te doen branden.

Willen we dan verstandig zijn zoals de vijf meisjes die voor hun lampen olie meehadden, dan is het aangewezen dat we voortdurend open staan voor de gave van de heilige Geest.

En Jezus heeft beloofd dat we altijd de gave van de heilige Geest krijgen, als we er de Vader om vragen.

Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven
aan wie Hem erom vragen.
Lucas 11,13

Olie roept bij mij ook het beeld op van aardolie dat synoniem kan zijn van petroleum, dat letterlijk ‘olie uit de rots’ (petra = rots) betekent. De olie van de heilige Geest is als het ware olie uit de Rots, die God is. [Dit doet me denken aan het water die uit de rots kwam, nadat Mozes op bevel van Jahweh erop had geslagen met zijn stok (Ex 17,6; Num 20,8-11) en tevens aan het water die uit de doorboorde zijde van Jezus’ vloeide, symbool van de heilige Geest (zie Joh 7,38-39; 19,34; 1 Joh 5,6-8).]

Aardolie kunnen we gebruiken om onze kachels te verwarmen of onze wagens te doen marcheren. Hoe onaangenaam is het in de winter, als er in huis geen verwarming is? Wat zijn we met een mooie dure wagen, als er geen energie of brandstof is? Wat is een christen zonder de olie van de heilige Geest?

Bij het vormsel heeft de bisschop of de priester ons voorhoofd gezalfd en kregen we het zegel van de heilige Geest. We hebben een merkteken van God gekregen, al van bij ons doopsel: “Jij bent mijn geliefd kind”. Een merkteken of olie in steen doordrongen kan nooit meer worden uitgewist. De geur die ik rook, betekent voor ons dat wij geliefde kinderen zijn van God. [In het Hooglied staat: “De liefdesappelen geuren reeds” (Hoogl 7,14).]

Olie doet me ook denken aan de parabel van de barmhartige Samaritaan, die olie en wijn goot op de wonden van de man die mishandeld en halfdood op de weg lag (Lc 10,34). Ook wij hebben kwetsuren. Wij zijn alle op een of andere manier gewond. Olie verzacht en geneest de wonden. Het is de heilige Geest die ons troost, ons lijden verzacht en onze wonden geneest. Vandaar ook de betekenis van de zalving bij ziekenzalving.

In de parabel van de onrechtvaardige rentmeester valt het me op dat de mensen verschillende vaten olie en verschillende maten tarwe schuldig zijn aan de eigenaar (Lc 16,5-7). Men kan in de eigenaar God zien die een overvloed bezit aan olie en tarwe. Voor mij betekent dit de gave van de heilige Geest en de gave van het woord en het eucharistische brood.

In het verhaal van de weduwe te Sarepta staat dat de weduwe nog maar een beetje olie meer had en een beetje meel om een broodje te bakken voor Elia (1 Kon 17,12). Maar door de tussenkomst van God gold het Schriftwoord: “De pot met meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput” (1 Kon 17,14.16). Bij God is er geen gebrek om zijn gaven te geven. Geen gebrek dus aan zijn Geest van Liefde. Dat is niet verwonderlijk, want niets is groter dan Gods liefde. [Zie het slotzinnetje “Rien n’est plus grand que Ton amour” in het prachtige lied ‘Dieu tout-puissant’ van Hector Arméra.]

Van olie en meel kan dus brood worden gebakken. En wat doet olie in brood? Op internet las ik: “Olie houdt brood langer vers. Olijfolie geeft een iets zachtere korst”.

Moge de gave van de heilige Geest van ons meer zachtmoedige mensen maken.

Olie doordringt alles op een zachte manier en maakt ook het meel één. De heilige Geest maakt ons één op een zachte manier. Laten we blijven bidden dat de heilige Geest onze versteende harten en die van de anderen doordringt, want olie heeft de eigenschap om ook stenen te doordringen…

Als we vervuld zijn van de heilige Geest, dan verspreiden we als het ware een aangename geur voor de anderen. Zalige mensen zijn mensen die zalig zijn voor een ander, heb ik ooit eens gehoord in een preek over de acht zaligheden. Het is dus de heilige Geest die ons goed doet rieken. Men spreekt soms van ‘de geur van heiligheid’.

Sommige christenen beweren in hun leven al een soort ‘hemelse geur’ te hebben waargenomen, die ze omschrijven als ‘rozengeur’. Zo getuigt Pascale Gryson, die door een degeneratieve hersenaandoening verlamd was en niet meer kon spreken, dat ze bij haar genezing in Medjugorje (in augustus 2012) tijdens de communie een rozengeur gewaarwerd.

Over de reuk van de christenen schrijft Paulus in 2 Kor 2,14-16: “God zij gedankt, die … allerwegen door ons de kennis van zijn naam als een welriekende geur verspreidt! Ja, voor God zijn wij een reukwerk van Christus (zowel onder hen die gered worden als onder hen die verloren gaan, voor dezen een dodelijke walm, voor genen een levenwekkend aroom)”. God maakt ons mooi en welriekend door zijn overvloedige genaden, die Hij onder andere geeft in het gebed, het doopsel, de eucharistie en de biecht.

In het boek Hooglied, dat een dialoog is tussen een bruidegom, die staat voor God, en zijn bruid, die kan staan voor Maria of elke gedoopte, wordt dikwijls gewezen op de schoonheid en de welriekendheid van de bruid (b.v. Hooglied 1,8.15: “Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi!”; 2,10; 4,1.7.10: “de geur van je zalven gaat alle reukwerk te boven!”.11: “de geur van je kleren is als de geur van de Libanon”.14.16; 5,5.9; 6,1.4.10; 7,7.9).

Iemand die leeft vanuit de heilige Geest, is als het ware schoon en welriekend. Deze schoonheid en geur komen eigenlijk van de bruidegom, die God is (b.v. Hooglied 1,11.12: Terwijl mijn koning aan tafel is [denk aan de eucharistie], verspreid mijn nardus zijn geur”. 13-14). Want zelf is de bruidegom schoon en welriekend (b.v. Hooglied 1.3.16; 3,6; 5.1.12.13: “Zijn wangen zijn een balsemgaard, torens van reukwerken. Zijn lippen zijn lelies, zij druipen van vloeibare mirre”).

In het begin van het Boek Exodus wordt melding gemaakt van twee Hebreeuwse vroedvrouwen die het bevel van Farao om elke Hebreeuwse jongen te doden, naast zich neerlegden (Ex 1,16-17). Deze vrouwen zijn het voorbeeld tot navolging voor al wie ongewild gevraagd of gedwongen wordt om anderen te doden: b.v. abortus of euthanasie. Ze worden met name vermeld, namelijk Sifra en Pua (Ex 1,15). Deze namen betekenen respectievelijk ‘schoonheid’ en ‘welriekende’. We kunnen hen als voorafbeeldingen zien van een christen. Als wij zoals de vroedvrouwen godvrezend zijn (Ex 1,17.21), dit wil zeggen God beminnen en Gods wil doen, dan zijn we in Gods ogen ‘schoon’ en ‘welriekend’, dan zijn we Sifra en Pua…

Wij zijn mooi en welriekend, als we God en elkaar gelukkig maken, als we doen wat God wil, als we b.v. aalmoezen geven. Pogingen om God en de anderen gelukkig te maken zijn als geestelijke offers die God als het ware graag riekt. Als wij goede werken doen, dan “druipen” als het ware onze “handen van de mirre” (Hooglied 5,5). Dan leven we vanuit de Geest. Hierover schrijft Paulus in zijn brief aan de Efeziërs 5,2: “Leidt een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus, die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur”. Zie ook Filippenzen 4,18. Daar worden de giften die Paulus van de Filippenzen gekregen heeft, als volgt beschreven: “Die zijn voor God een welriekende geur, een aangename en welgevallige offerande”.

Laten we tot God blijven bidden om de olie van zijn Geest.

Geef mij olie in mijn lamp, houd het brandend.

Inge

Inge